Epilepsie bij de Hond
Geschreven door Marcel Leuven   
Saturday 20 January 2007

Inleiding

Uw hond heeft epilepsie. De toevallen die daarbij optreden betekenen vrijwel altijd een zeer schokkende ervaring. Bovendien roept het gebeuren vragen op:

  • Hoe komt het?
  • Is er wat aan te doen?
  • Heeft de hond pijn?
  • Kan hij agressief worden?

In dit artikel proberen we antwoord te geven op een aantal van die veel gestelde vragen. Helaas kunnen niet alle vragen bevredigend beantwoord worden, omdat niet alles bekend is of omdat niet iedere hond met epilepsie zich volgens het boekje gedraagt.
We zullen ook algemene informatie geven over epilepsie: de oorzaken, het verloop van een toeval, de verschillende vormen van epilepsie, de mogelijkheden tot therapie, enzovoort. Deze informatie heeft betrekking op de “gemiddelde” hond met epilepsie. Aangezien er veel variatie bestaat tussen de verschillende vormen van epilepsie, is het heel goed mogelijk dat uw ervaringen niet precies overeenkomen met hetgeen wij schetsen.
Wij hopen dat dit artikel voorziet in uw eerste behoefte aan informatie. Mochten er nog vragen onbeantwoord blijven, dan kunt u het beste contact opnemen met uw dierenarts.

Wat is epilepsie ?

Epilepsie is het herhaald optreden van toevallen. Een toeval is een aanval van (zeer) abnormaal gedrag; dit abnormale gedrag moet wel en aantal typische kenmerken hebben. Epilepsie is dus niet meer dan een naam die gegeven wordt aan een verschijnsel: de term epilepsie zegt niets over de oorzaak van de toevallen.

Toevallen ontstaan doordat de functie van de hersencellen verstoord is. De belangrijkste functie van hersencellen is het opwekken, doorgeven en ontvangen van elektrische signalen. Die elektrische activiteit wordt met ingewikkelde systemen in goede banen geleid en tè sterke signalen worden afgezwakt.
Bij een toeval is er sprake van een kortdurende ontsporing van elektrische activiteit van hersencellen. Deze ongecontroleerde elektrische ontladingen verspreiden zich door de hersenen en veroorzaken de verschijnselen die bij een toeval worden waargenomen.

De gestoorde functie van de hersencellen kan veroorzaakt worden door een ziekte of afwijking van de hersenen zelf (een ontsteking, litteken na een hersenschudding, aangeboren afwijking), maar kan ook het gevolg zijn van een ziekte elders in het lichaam, zoals een stofwisseling -  ziekte. Meestal is er echter geen oorzaak voor de toevallen te vinden. In dat geval wordt gesproken van echte of primaire epilepsie.

Bij epilepsie treden de toevallen bij herhaling op en met een zekere regelmaat. De tijdsduur tussen de toevallen is per individu verschillend, maar in het algemeen liggen er tussen de toevallen 3 tot 6 weken.
Soorten epilepsie

De indeling van de verschillende soorten toevallen vindt plaats op grond van de vorm van de aanvallen (hoe ziet het er uit ?) en op grond van de oorzaak. Bij de mens worden een groot aantal verschillende vormen van epilepsie onderscheiden. Bij de hond is dat slechts in beperkte mate mogelijk en wordt er onderscheid gemaakt tussen algehele aanvallen (gegeneraliseerde toevallen), gedeeltelijk of incomplete aanvallen (partiële toevallen) en aanvallen die niet onder te brengen zijn in een van de voorgaande categorieën (atypische toevallen). De gegeneraliseerde vorm komt het meest voor en wordt ook wel “Grand Mal” genoemd.


Voorkomen van epilepsie

Primaire (echte) epilepsie komt regelmatig voor bij alle hondenrassen en bij kruisingen. Bij sommige rassen komt het echter veel vaker voor en wordt vermoed dat het erfelijk is. Epilepsie wordt evenveel bij reuen als bij teven gezien. Bij teven kan het aantal toevallen tijdens de loopsheid toenemen.
De eerste toevallen - bij echte epilepsie - beginnen op een leeftijd tussen de een en vijf jaar.  Na de eerste toeval is het uiteraard nog niet bekend of er meer zullen volgen in de toekomst. Tussen de eerste en de tweede toeval kunnen maanden voorbij gaan. De periode tussen de toevallen wordt in de loop van de tijd korter en blijft dan min of meer constant (3 tot 6 weken). Dit is een zeer globaal gemiddelde, want bij sommige honden kan het aantal toevallen tot enkele per jaar beperkt blijven en bij andere kunnen series toevallen om de week plaatsvinden.
Meestal is er geen bepaalde aanleiding voor de toevallen aan te wijzen en komen ze onverwacht. Opvallend is dat het vrijwel altijd binnenshuis gebeurd en dan vaak laat in de avond, gedurende de nacht en vroeg in de ochtend. Er is geen relatie met opwinding of inspanning en tussen de toevallen door is het dier normaal.


Hoe ziet een epileptiforme aanval eruit ?

Er is een grote variatie in vormen van toevallen bij honden met epilepsie, maar per hond is de vorm vrij constant. De meest voorkomende vorm van epilepsie is de zogenaamde gegeneraliseerde vorm. Deze toevallen verlopen in drie fasen, die bij de meeste honden duidelijk van elkaar onderscheiden kunnen worden.

Inleiding of Aura

Dit is de periode die vooraf gaat aan een toeval. De honden vertonen al afwijkend gedrag: onrustig, aanhalig, rare blik in de ogen, etc. Deze inleiding kan slechts enkele seconden duren, en valt dan nauwelijks op, maar kan ook enkele dagen duren.

Ictus

De eigenlijke toeval. Deze begint met omvallen en het dier verliest het bewustzijn. Er ontstaan heftige krampen van de poten en het gehele lichaam. Na enkele minuten treedt er een soort verstijving op gevolgd door ontspanning en de hond komt weer bij bewustzijn.
De ictus duurt in het algemeen enkele minuten. Tijdens de ictus kan het dier urine of ontlasting verliezen. Of dit wel of niet gebeurt is geen maat voor de ernst van de aanval. De tongbeet zoals dat bij de mens voor kan komen, wordt bij de hond nooit gezien.

Post-ictale fase

De ictus wordt gevolg door de post-ictale fase. Na het bijkomen en overeind krabbelen, zijn de meeste honden volledig “de kluts kwijt” en hebben tijdelijk verlies van geheugen, zien slecht, lopen ongecoördineerd en zijn soms erg dorstig en hongerig. Deze post-ictale fase kan enkele seconden tot dagen duren.
Tijdens de post-ictale fase dient de hond voorzichtig te worden benaderd, omdat het dier niet weet waar het is, de eigenaar niet herkent, mogelijk zelfs niet kan ruiken en slecht ziet. Een onverhoedse benadering kan een schrikreactie geven en zelfs agressiviteit.

De hierboven beschreven vorm is de meest voorkomende bij de hond, maar er zijn ook andere vormen, zoals: kortdurende aanvallen van schokkende bewegingen met de kop, zonder dat de hond omvalt en het bewustzijn verliest; of toevallen waarbij de hond zich afwijkend gaat gedragen (zeer onrustig en hyperactief, wild rondrennen, naar binnen en naar buiten willen, etc.) en waarbij geen krampaanvallen ontstaan.


Onderzoek van de hond met epilepsie

Wanneer uw hond de eerste keer een toeval heeft gehad is het altijd verstandig een dierenarts te raadplegen. Deze kan afwijkingen herkennen die op een bepaalde oorzaak van de toeval kunnen duiden en kan bepalen of nader onderzoek nodig is. Meestal zal dit in eerste instantie een onderzoek van het bloed zijn.
De mogelijkheden om afwijkingen in de hersenen van de hond te onderzoeken, zijn zeer beperkt en kostbaar. Bovendien zijn de afwijkingen die bij een dergelijk onderzoek in de hersenen gevonden worden, zelden doelmatig te behandelen.


Therapie van epilepsie bij de hond

Moet een hond met epilepsie behandeld worden en wat kan van een therapie verwacht worden?

Een behandeling tegen toevallen zal zelden het effect hebben dat de toevallen volledig verdwijnen. Een optimaal effect is bereikt indien de aanvallen in aantal afnemen en de ernst van de aanvallen minder wordt. Het bereiken van een dergelijk effect wordt bepaald door een juiste dosering van de medicijnen. De juiste individuele dosering moet proefondervindelijk uitgezocht worden. Dit betekent dat eerst bekend moet zijn hoe vaak de aanvallen optreden zonder dat de hond medicijnen krijgt. Pas als de frequentie duidelijk is kan met de behandeling worden begonnen met een startdosering, die gedurende een voldoende lange tijd ongewijzigd moet blijven. Deze periode is afhankelijk van de frequentie van de aanvallen.

• Een voorbeeld: een hond heeft gedurende de laatste maanden om de drie tot vier weken een dag met één of meer toevallen. De startbehandeling moet dan minstens 3 tot 4 maanden duren om te kunnen bepalen of het aantal dagen met aanvallen verandert is. Is er geen of onvoldoende verandering dan zal de dosering verhoogd worden en zal weer een periode van 3 tot 4 maanden bekeken moeten worden of het aantal dagen met toevallen afneemt en/of dat de toevallen milder worden.

Het lukt lang niet altijd om een bevredigende en acceptabele situatie te bereiken. Zelden omdat de problemen voor de hond ondraaglijk zijn, maar meestal omdat het ondraaglijk is voor de eigenaar. En dat is ook zeer begrijpelijk, want een hond met epilepsie vereist veel extra zorg en aandacht; beperkt de bewegingsvrijheid van de eigenaar; gaat gepaard met extra onkosten en de resultaten van een behandeling kunnen teleurstellend zijn.


Doel van de behandeling

1. Het vergroten van de tijd tussen twee (series) toevallen
2. Het verminderen van de ernst van de toevallen
3. Het verminderen van de lengte van de toevallen


Belangrijke punten bij de behandeling

• Plotselinge veranderingen in de medicatie (stoppen, vergeten, wijziging van de dosering of wisseling van de soort medicijn) kunnen het ontstaan van toevallen in de hand werken.
• Het kan enige tijd duren voordat een optimale dosering tot stand is gekomen. Ook zijn er honden die onvoldoende of in het geheel niet reageren op de ingestelde behandeling. Gelukkig is dat zelden het geval.
• Veranderingen in het dagelijks gebeuren kunnen het ontstaan van toevallen in de hand werken.
• Een hond met epilepsie is gevoeliger voor bepaalde narcosemiddelen. Zeg daarom altijd dat uw hond epilepsie heeft, als u hem naar de dierenarts brengt.
• Maak notities op een kalender over het optreden en de ernst van de toevallen en de bijzonderheden die u van belang acht (bijv. Medicijn vergeten of uitgebraakt na ziekte, veel bezoek gehad en de hond was onrustig). Zo’n “toevalkalender” is erg belangrijk voor het bepalen van de meest effectieve behandeling.


Welke medicijnen zijn bij de hond bruikbaar ?

Bij de hond komen slechts drie middelen (anti-epileptica) in aanmerking voor de langdurige behandeling van epilepsie: phenobarbital, fenytoïne (Epitard®) en kaliumbromide. De voorkeur gegeven aan starten met phenobarbital. Honden die met deze therapie geen vooruitgang boeken, kunnen behandeld worden met fenytoïne of naast de phenobarbital starten met kaliumbromide.

 Phenobarbital kan gedurende de eerste dagen van de behandeling sufheid en slaperigheid veroorzaken. Als dit na een paar dagen niet overgaat dient de dosering te worden aangepast. Veel drinken en plassen en een toename van de eetlust zijn de bijwerkingen van phenobarbital die in meer of mindere mate onvermijdelijk zijn. Deze vervelende bijwerkingen zijn de reden geweest om naar alternatieven te gaan zoeken.

Diazepam (Valium®, Stesolid®) heeft een speciale toepassing bij epilepsie; het wordt gebruikt om toevallen die te lang aanhouden of in series optreden, te onderbreken. Het middel moet dan bij voorkeur in de bloedbaan gespoten worden om snel te werken. Het is echter ook mogelijk om door rectale toediening een snel effect te verkrijgen. Valium® heeft een korte werkingsduur en is daarom niet geschikt voor een langdurige behandeling, ook niet in de vorm van tabletten.

Wat te doen/niet te doen bij een toeval ?

Kort samengevat is het antwoord op deze vraag: doe zo weinig mogelijk ! U kunt een toeval die begonnen is niet stoppen. Probeer rustig te blijven en niet in paniek te raken. Probeer vooral niet de aanval te stoppen door de hond vast te houden. Voorkom dat de hond zich tijdens een aanval beschadigt. Sommige eigenaren vinden dat de hond agressief wordt. Dit is meestal het gevolg van het feit dat ze de hond proberen vast te houden tijdens een aanval. De hond maakt volkomen willekeurige bewegingen waarvan het dier zich niet bewust is. Als de hond met de kaken klappert en de eigenaar doet een poging om de kop vast te houden, dan kan makkelijk een bijtwond worden opgelopen. Het ingeven van tabletten tijdens een aanval is gevaarlijk en bovendien zinloos.


Status epilepticus

Epilepsie is op zich geen levensbedreigende situatie. Uw hond kan er net zo oud mee worden als een niet-epileptische hond. Wel moet iedere eigenaar van een epileptische hond op de hoogte zijn van de zogenaamde “status epilepticus”. Deze toestand kan het beste omschreven worden als een “uit de hand gelopen toeval”. In plaats van een toeval van enkele minuten tot een kwartier verkeert de hond een half uur tot een uur in een toestand van voortdurende krampen, zonder dat er een duidelijke rustfase is. Dit is wel levensbedreigend en dient door de dierenarts gestopt te worden.
Indien uw hond toevallen in langdurige sessies krijgt of een status epilepticus heeft gehad kunt u met de dierenarts overleggen over de mogelijkheid om valium rectaal toe te dienen.


Ten slotte

Zorg ervoor dat de naam en dosering van de medicijnen in het paspoort van uw hond staan en vermeldt bij bezoek aan een ander dan uw eigen dierenarts dat uw hond epilepsie heeft.

Bronvermelding

Tekst gewijzigd overgenomen uit de gelijknamige folder van de Kliniek voor Gezelschapsdieren, Faculteit der Diergeneeskunde te Utrecht. Auteurs: J. Van Nes en L. Overduin.

Laatst geupdate op ( Thursday 18 February 2010 )